Proces
Olfactief 1.0
Inleiding
Deze scriptie is ontstaan vanuit mijn interesse voor geur. Voor mijn toelatingsopdracht voor ArtEZ hogeschool voor de kunsten te Arnhem kreeg ik de opdracht om een film te analyseren en te verbeelden. Ik kon kiezen uit meerdere films. Eén trok direct mijn aandacht, namelijk “Het Parfum, een geschiedenis van een moordenaar.” Ik bekeek de film en las ook het boek. Lichaamsgeuren, die de hoofdpersoon Jean-Baptiste Grenouille drijven tot zijn daden, dreven mij tot een nader onderzoek. Ik kwam informatie over partners tegen die elkaar uitzoeken op geur, waarna ik mezelf vragen ging stellen. Als partners elkaar lekker vinden ruiken kunnen we dan stellen dat ze dezelfde geuren lekker vinden? Ik bedacht een test waarbij ik stelletjes geuren liet ruiken. Ze moesten individueel aangeven of ze een bepaalde geur lekker vonden of niet. Daarna ging ik percentages van overeenkomstige antwoorden zoeken. Mijn gedachte leek te kloppen. Voor maar liefst 75% van de geuren gaven stelletjes hetzelfde antwoord. Ik had een controlegroep met willekeurig gekozen personen waarbinnen de liefde voor geuren zeer uiteenliep. Niet iedereen vond hetzelfde vies of lekker, waardoor het percentage overeenkomstige antwoorden bij de stelletjes opvallend was. Eén koppel zorgde ervoor dat het percentage omlaag-ging, anders was het ca. 83% geweest. Wat achteraf opviel was dat dit stelletje een jaar later uit elkaar ging, terwijl de andere koppeltjes nog steeds een relatie hadden.
……..
Aan het slot van deze inleiding leg ik het nieuwe genre voor u - de lezer - bloot. Ik spreek namelijk over ‘olfactieve kunst’. Of in het Engels ‘Olfactif Art’. Olfactief betekent: ‘dat wat geroken kan worden’. Een duidelijk genre is het nog niet. De naam ‘olfactieve kunst’ wordt door twee groepen opgeëist, namelijk de parfumindustrie, die haar parfums als ‘olfactief kunstwerk’ ziet en de autonome kunst : het thema van deze scriptie. Volgens Caro Verbeek, kunsthistoricus, is de definitie van olfactieve kunst: “Het intentioneel toevoegen van een olfactieve laag, of het bewust gebruiken van een inherente geur van het gebruikte materiaal van een kunstwerk, zonder welke dit kunstwerk zijn betekenis, effect, of functie zou verliezen en/of het presenteren van een geur als een autonoom kunstwerk, zonder andere zintuiglijke output.”1
Ik ben het helemaal met haar eens, omdat geur niet altijd het hoofdthema in een werk is. Maar zonder de geur zou het een heel ander werk zijn en zou het anders beleefd worden. In deze scriptie zal dan ook een scala aan geurende werken worden besproken. Deze scriptie gaat daardoor de breedte in, omdat ik tijdens mijn onderzoek erachter kwam dat veel kunstenaars met olfactieve kunst bezig zijn, maar de beschouwer nog niet. Deze scriptie is bedoeld voor kunstliefhebbers die niets over olfactieve kunst weten. Na het beantwoorden van mijn vraag: “Wat is de rol van geur in de beeldende kunst?”, zal de lezer een breed en begrijpelijk beeld van olfactieve kunst gekregen hebben. Cultuurgeschiedenis
Reuk is een zintuig, dat altijd aanwezig is geweest tijdens het menselijke bestaan. Maar hoe we omgaan met geuren verandert steeds. Zo gebruikten Egyptenaren al rond 3000 v.Chr. welriekende geuren om zichzelf te versieren en was geur voorbehouden aan de goden en de priesters. Kruiden en aromatische stoffen offerde men in pastillevorm aan de zonnegod Ra. Veel geurende middelen waren bedoeld voor de farao, die zowel een leidende als een goddelijke functie had. Er is een papyrusrol gevonden van bijna twintig meter lang, waarop recepten staan voor een soort zeep met oliën, vetten en alkalisch reagerende zouten. Door gevonden reliëftekeningen weten we dat ze veel met geurstoffen werkten. Ook wierook werd door de Egyptenaren veel gebruikt. Ten tijde van Cleopatra zaten ze al enigszins in de goede richting van het later ontwikkelde destillatieproces: ze kookten water in een vuurvast bakje en legden hierop een rooster van stukjes ceder- of sandelhout, waarop proppen schapenwol werden gedrapeerd. Het kokende water verdampte via het hout en als de wolproppen werden uitgeknepen bleek het gecondenseerde water wat olie te bevatten. Deze olie werd gebruikt voor allerlei cosmetische doeleinden.
In het museum van Oosterse Antiquiteiten in Istanboel zijn kleitabletten en kleicilinders uit de tijd van de Soemerische beschaving waarop in spijkerschrift geschreven recepten voor een soort zeep staan. Deze kleitabletten stammen uit 2800 v. Chr. en waren bedoeld voor de harem van de god Nin Gui Su. Maar wat de harem met de zeep deed wordt niet vermeld. Het kan bedoeld zijn om te wassen, of als geneesmiddel, of om te offeren. Olfactieve kunstgeschiedenis
Geur kwam al vroeg voor in de kunst als representatie. Vaak werden op schilderijen zintuigen uitgebeeld. Denk aan ‘The Sense of Smell’ (1744-1747) van de Britse schilder Philippe Mercier (1689-1760). Er zijn ook genoeg kunstwerken gemaakt die een geur doen vermoeden. Zoals de heerlijke stillevens van Willem Kalf(1619-1693), waarvan je de citroenen bijna kunt ruiken. We kunnen stellen dat de echte olfactieve kunst is begonnen rond 1900. Zowel de symbolisten, futuristen, dadaïsten, expressionisten, als later de surrealisten wilden de zintuigen opnieuw tot leven wekken.
In het manifest van de futurist F.T. Marinetti (1876-1944), beschreef hij ‘simultaneïteit’ waarbij de reuk, het gehoor en het gevoel tegelijkertijd bij het publiek geprikkeld moesten worden. De futurist Ennio Valentinelli (1894-1970) schreef het werk ‘l’Arte degli Odori’ (De Kunst van Geuren) rond 1916. In dit manifest beschreef hij hoe kunst en het dagelijks leven samen konden gaan door middel van geuren. Elke plek zou zijn eigen specifieke geur moeten krijgen, wat de activiteit ten goede komt. Ennio Valentinelli verhief geur tot autonome kunst en zette het buiten de kaders van het parfum, die in die tijd heersten. De futuristen verheerlijkten de technologie en kunstmatigheid. Het was dan ook logisch dat ze gebruikmaakten van kunstmatige geuren. De techniek om geurstoffen kunstmatig te verkrijgen stond in die tijd in de kinderschoenen, maar sloot goed aan bij de gedachtegang van de futuristen. Geuren moesten volgens hen niet fluisteren, maar schreeuwen. De zintuigen moesten sterker worden geprikkeld om aan de nieuwe esthetiek van de futuristen te voldoen. Zo schreef de futurist Fedele Azari (1895-1930) in ‘La flora futurista ed equivalenti plastici di odori artificiali’ (De futuristische flora en plastische equivalenten van kunstmatige geuren) in 1924: “…de zogenaamde zoete parfums van bloemen volstaan niet langer voor onze neusgaten die steeds gewelddadigere olfactieve sensaties vereisen…” Geurwaarneming
Het vermogen om geur te onderscheiden bevindt zich in het reukepitheel. Dit is een laag cellen boven in de neus ter grootte van een vingertopje. Het gehele reukzintuig is opgebouwd uit een slijmlaag, het reukepitheel en een ondersteunende laag. De dikte en vochtigheid van de slijmlaag speelt een rol in het opnemen van geurstoffen. In deze laag kunnen geurstoffen blijven hangen die de registratie vergemakkelijken. Het epitheel van het reukorgaan bestaat uit verschillende typen cellen, namelijk zintuigcellen, steuncellen en basale cellen. De zintuigcellen zijn naked neurons, wat wil zeggen dat ze in rechtstreeks contact staan met de buitenwereld, zij het ingebed in slijm. Door de directe blootstelling aan de buitenlucht heeft een zintuigcel geen lang leven. Na vier tot acht weken is hij versleten en wordt hij door een nieuw exemplaar vervangen. De basale cellen differentiëren zich dan tot nieuwe zintuigcellen. Geur en geheugen
De kracht van ons geurgeheugen werd eerst ontdekt door de geleerde Georges-Louis Leclerc de Buffon, (beter bekent als graaf De Buffon) (1707-1788). Hij schrijft hierover in zijn encyclopediereeks ‘Histoire naturelle, générale et partivulière’ waarmee hij is begonnen in 1749. Maar hij werd pas bekend door het werk ‘La recherche du temps perdu’ van Marcel Proust (1871-1922). Hij vertelt over de herinnering die hij kreeg toen hij een zogenoemd Madeleine-koekje at bij zijn tante. De herinnering kwam niet naar boven toen hij naar het koekje keek of het voelde, maar pas toen hij het rook. Proust was ook niet op zoek naar de herinnering. Die was er opeens. Hij betitelde een dergelijke vorm van herinneren als ‘de onwillekeurige herinnering’.
Inmiddels is er veel onderzoek gedaan naar het geheugen en kunnen we delen in het geheugen onderscheiden. De mens heeft namelijk meerdere soorten geheugen: een kortetermijngeheugen en een langetermijngeheugen. In het langetermijngeheugen vinden we het gedeelte dat bijvoorbeeld gekoppeld is aan de beweging: het motorische geheugen. We kunnen stellen dat het geurgeheugen een onderdeel is van het emotionele geheugen vanwege de verbinding van de neus met het limbisch systeem.
Als Proust zijn koekje krijgt, komt de informatie eerst in het sensorisch geheugen. Dit moet niet verward worden met het kortetermijngeheugen. Pas wanneer Proust het koekje daadwerkelijk proeft, wordt er een beroep gedaan op het langetermijngeheugen.
Een kunstenaar die zich bewust was van deze individuele geurherinnering is Andy Warhol (1928-1987). Voor hem was geur een belangrijk element in zijn leven. Hij gebruikte geur niet zozeer in zijn werk, maar zag het als een geheugensteuntje. Hij zag in dat een parfum de kracht had om een sterker beeld op te roepen dan het werk dat hij maakte. Hij gebruikte regelmatig een nieuw parfum en bewaarde de halfvolle flessen. In 1979 had hij al een flinke verzameling parfumflessen. Hij rook regelmatig aan de flessen, zodat hij in gedachte weer kon terugkeren naar de periode waarin hij het parfum droeg. Dan waren de herinneringen levendig voor hem. Aromaspecialist Harmen Rijpkema (hoofd chemie van de aromaproducent Chi) beschrijft dit fenomeen op een zeer verbeeldende manier. ‘Blijkbaar worden bepaalde geuren bij de herinnering aan een bepaalde gebeurtenis meegeprint in ons geheugen.’ Geur en beeld
Geur kan zowel een middel (zoals bij het werk The Beanery van Edward Kienholz) als een uitgangspunt (zoals bij het werk Invisible White van Maki Ueda) zijn voor een creatief proces van een kunstenaar, maar vaak wordt het gekoppeld aan een beeld. Ik zie drie vormen hiervan: non-visuele autonome kunst, een wisselwerking tussen het visuele en het olfactieve, en olfactiefversterkende beeldende kunst. Non-visueel In deze categorie kunnen we de kunstenaars plaatsen die geur het allerbelangrijkste vinden. Zij zien geur als het kunstwerk. De kunstenaar Job Koelenwijn schreef onder de titel Dreaming in 1995 een gedicht op de vloer van het Stedelijk Museum Amsterdam met een deodorant roller. De tekst verdween, maar de geur bleef als een droom hangen.
Het kunstwerk is nog visueel als het gemaakt wordt, maar blijft enkel als een geur over.
Een ander mooi voorbeeld is het werk van de kunstenares Clara Ursitti. Voor de tentoonstelling ‘Are You Experienced?’ in 1998, maakte zij Sub Club, Glasgow, August 8. De tentoonstelling was gewijd aan de ‘VJ cultuur’ (VJ staat voor Video Jockey, deze kondigen hedendaagse muziekvideo’s aan). Het werk Sub Club, was een met geur en temperatuur nagebootste nachtclub. Het werk was een met een deur afgesloten ruimte, die vijf geurverspreiders bevatte. Deze verspreidden een kleine hoeveelheid geur als je dicht in de buurt kwam. In eerste instantie heeft nauwelijks iemand in de gaten dat je de lucht van iemand anders oksels ruikt. De kunstenares Sissel Tolaas creëerde het werk The FEAR of Smell-the Smell of FEAR in 2005. Het werk bestond uit een met geur gemengde verflaag op de muren van de tentoonstellingszaal. Door te wrijven of te krabben kwam de geur van angstzweet vrij. Dit werk is zo non-visueel mogelijk gemaakt. Toch blijft er altijd een beeld aanwezig, zoals de tentoonstellingszaal, waarin het werk geëxposeerd wordt.
Een werk van de kunstenares Maki Ueda laat ook de visualiteit van de expositieruimte verdwijnen. Voor het werk Invisible White uit 2013, ontwierp de architect Makoto Yokomizo een mistige ruimte, waarin je nauwelijks visueel iets kunt waarnemen. In deze installatie creëerde Maki Ueda een systeem, zodat men zich d.m.v. geur kan oriënteren. Geur en ruimte
Elke ruimte heeft zijn eigen geur. Elk gebouw heeft zijn eigen geur. Elk landschap heeft zijn eigen geur. Dit zorgt ervoor dat we ons gemakkelijk kunnen oriënteren. Zo weten we of we op bekend of onbekend terrein zijn. De geur van een plek kan ervoor zorgen dat je je thuis voelt, of je vervreemden van je omgeving.
Meerdere artistieke geesten zijn zich bewust van dit feit. Zo beschreef Andy Warhol (1928-1987) in ‘A Philosophy of Andy Warhol’ het geurportret van zijn woon- en werkplaats New York, hetgeen velen bewustmaakte van de diverse geuren in een stad. Marcel Duchamp (1887-1968) ging nog verder door in 1919 de geur van Parijs in een ampul Air de Paris op te vangen. Geur en lichamelijkheid
De kunstenares Clara Ursitti is zo geïnteresseerd in lichaamsgeuren dat ze zogenoemde geurportretten maakt. Een geurportret bevat volgens haar niet alleen de lichaamsgeur, maar ook het zweet en het favoriete parfum van een persoon. Voor het geurportret Bill in 1998 verwerkte ze de geur van sperma om zo te verwijzen naar een voormalige president van de Verenigde Staten. Het is ook mogelijk om een geurportret van jezelf door Ursitti te laten maken, onder haar bedrijfsnaam Pheromone Link. Daarvoor moet je dan een dag een shirt dragen met actieve koolstof. Na een dag stuur je het shirt naar Pheromone Link en daar wordt het grondig onderzocht met de ‘synthetische neus’, waarna het geurportret gemaakt kan worden. Vanuit het materiaal
Er zijn meerdere bekende werken in Nederland die zowel te zien als te ruiken zijn. Niet altijd heeft de kunstenaar gekozen voor een specifieke geur, soms is de geur een bijkomstigheid van het materiaal. Dat betekent niet dat de geur niet zeer bepalend is voor het werk. Zo zou het werk Wachsraum in De Pont in Tilburg een hele andere beleving hebben als het geen geur bevatte. Deze ruimte is in 1992 gemaakt door de kunstenaar Wolfgang Laib (1950). De ruimte is een soort smalle gang van 880 cm lang, die door enkele knikken een bocht vormt. De ruimte is op het smalste punt 53 cm en op het breedste punt 96 cm breed, met een hoogte van 325 cm. Voordat je de ruimte kunt betreden, moet je enkele traptreden af, waarna je je in de ruimte bevindt met slechts een enkel peertje als verlichting. De ruimte is gemaakt van bijenwasplaten, die aan een houten constructie zijn bevestigd. De geur van bijenwas is dan ook permanent aanwezig in deze ruimte.
In een uitgave van De Pont beschrijft Laib zijn liefde voor moskeeën. Hij noemt het: een lege ruimte waar een volheid vanuit gaat. Deze volheid kon ik ook voelen in het werk Wachsraum. Ik vroeg me alleen af of deze volheid wordt gecreëerd door de permanente, doordringende geur die de ruimte vult. Vanuit de gedachtegang van Wolfgang Laib gaat het tenslotte om het materiaal. Als het materiaal vergaat, is dat niet erg. Dat maakt het werk volgens hem alleen maar opwindender. Nu wordt Wachsraum goed geconserveerd door het museum. Hierbij is voor hen het visuele belangrijker dan het olfactieve. Aangezien voor de kunstenaar het materiaal belangrijker is dan de geur, lijkt het onwaarschijnlijk dat hij daarmee bij het ontwerpen van de ruimte rekening heeft gehouden. Desondanks is de ruimte toch zo vormgegeven, dat de geur beter in de ruimte blijft hangen. Wachsraum ligt lager dan de tentoonstellingszaal waar het aan vastzit. Omdat meerdere reukstoffen zwaarder zijn dan lucht, blijft de geur over het algemeen in het gat hangen. Het 4D-effect
Om het 4D te kunnen noemen, komt er bij het driedimensionale nog een dimensie bij: de tijd! Geur is vluchtig en verdwijnt, net als bij de werken uit het vorige hoofdstuk. Sommige geuren veranderen door de tijd, wat een uitgangspunt van een kunstenaar kan zijn.
De olfactieve kunstenaar Peter de Cupere (1972) is geïnteresseerd in het proces van een geur. Voor hem hoeft een geur niet behouden te worden. Het draait meer om het concept. Als de geur door de tijd heen verandert, hoort dat bij het werk. Zijn eerste werk bestond dan ook uit schimmels, die tijdens het fermenteren van geur veranderden. Later is hij zowel met natuurlijke geurstoffen als met synthetische gaan werken. Hij gebruikt vaak synthetische voedingsstoffen, de zogenaamde E-nummers. Een goed voorbeeld van een kunstwerk, waarbij tijd een grote rol speelt, is Mouldy Installation (1000 pots). Het bestaat uit duizend kleine schaaltjes gevuld met een bepaald mengsel, aangevuld met fruitsap, water of melk. Door de tijd heen zijn de schaaltjes gaan schimmelen en kregen ze zowel visueel als olfactief een heel nieuwe identiteit6, die echter voor de beschouwer geen prettige gewaarwording is. De tentoonstelling
De beschouwer weet nog niet goed wat hij aanmoet met geur in een museum. Hij gaat ervan uit dat hij in de tentoonstelling kunst gaat bekijken maar associeert geur niet met kunst. Hij gaat ervan uit dat je in een museum alleen kijkt. Een mooie stap, om de beschouwer aan geur te laten wennen, was verwerkt in de tentoonstelling van het tv-programma De Wereld Draait Door. In de tentoonstelling ‘Pop-up Museum’ in het Allard Pierson Museum te Amsterdam waren twee olfactieve werken geplaatst. Het was in een zaal, ingericht door Marc Marie Huijbrechts, met werken uit het Van Abbemuseum te Eindhoven. Ze hadden de geur van de sigaar van mr. Van Abbe in de collectie, want die wilde Marc Marie graag hebben in zijn ruimte. Daarbij wilde hij zelf ook een eigen geur creëren en tentoonstellen. Het maken van de geur van Marc Marie werd uitbesteed aan Caro Verbeek en Aroma Jockey Scentman. De vorm, die ze kozen om het werk tentoon te stellen, waren de geurdoosjes van het ‘inhaling art’-project in het Van Abbemuseum. Dit is een praktische manier om mensen even te laten ruiken zonder dat de geur zich door de gehele ruimte verspreidt. Het ziet er alleen niet uit als een echt - losstaand - kunstwerk. Als je de doosjes ziet, krijg je al snel de indruk dat je eraan mag komen om het deksel te openen. De doosjes werden dan ook flink besnuffeld, maar de bezoekers wisten niet altijd wat ze ermee aanmoesten. De meeste bezoekers probeerden te raden waar het naar rook. Geur en taal
Er is in het Nederlands maar één woord dat een geur beschrijft en dat is ‘muf’. Om een geur te beschrijven gebruiken we woorden die bij andere zintuigen horen, zoals: zwaar, licht, warm, groen of luid. Meestal wordt de bron genoemd als we een geur uitleggen: fruitachtig, bloemig of ‘het is lekker’ (wat eerder refereert naar eten). Ondanks dat taal en geur duidelijk niet door één deur gaan wordt geur juist aan geluid gekoppeld. Parfumeurs beschrijven geuren als noten. De Engelse parfumeur Septimus Piesse (1820-1882) had het in de 19de eeuw altijd over ‘geuroctaven’. Hiermee verwees hij naar geurstofcategorieën zoals hout- en bloemsoorten. Als hij verschillende ‘geuroctaven’ met elkaar mengde beschreef hij het als een ‘melodie’.
Er zijn nog weinig kunstenaars die zich hebben verdiept in de combinatie van taal en geur. Het blijft toch een vakgebied voor de parfumeurs en geurspecialisten. Een koppel, dat zich aan dit gebied heeft gewaagd, zijn Clara Ursitti en George Dodd. Het kunstwerk dat ze gemaakt hebben is de film Untitled uit 1995. In de film is Ursitti zelf naakt te zien. Ze ligt, terwijl parfumeur en olfactief onderzoeker George Dodd haar besnuffelt en Ursitti’s lichaamsgeur gedetailleerd omschrijft. Geur en smaak
Een kunstenaar, die zeker genoemd moet worden in dit hoofdstuk, is Peter de Cupere (1970). Deze olfactieve kunstenaar zoekt de grenzen op van geur in alle combinaties. Zo test hij de invloed van geur op smaak in zijn installatie Smellice in Wonderland (1995). De bezoeker komt in een warme ruimte en krijgt een ijsje om af te koelen. Wanneer de bezoeker de looproute in de labyrintvormige installatie aflegt passeert hij verschillende geuren. De geuren hebben steeds een andere invloed op de smaak van het ijsje. Zo smaakt het ijsje heerlijk in een met aardbeiengeur gevulde ruimte, maar de bezoekers hielden prompt op met likken in een ruimte waar de geur van uitwerpselen was verspreid. De link tussen smaak en geur wordt hier door de beschouwer zelf ervaren.
Scriptie
Olfactieve kunstgeschiedenis
Geurwaarneming
Geur en geheugen Geur en beeld
Geur en ruimte
Geur en lichamelijkheid
Vanuit het materiaal
Het 4D-effect
De tentoonstelling
Geur en taal
Geur en smaak
Cultuurgeschiedenis
Test
Inleiding